• Home
  • Poëzie
  • Woord&beeld
  • Klimaatdichters
  • Kortverhaal
  • Agenda
  • Contact

Ergens tussen hier en nu waait buiten voorbij
slaat het tijd in de wind.

Om boom te zijn

Als de wind mijn kruin aanvalt,
dreigend met mijn takken schudt,
door mijn bladeren waait
heb ik sterke wortels nodig
en een ruggengraat.

Erosie

Niets blijft onaangetast, overal val je af
langs het spoor van je bedoeling
over aarzelingen heen
tot je zwaarte ontbreekt.
 

Het schijnbaar gewone in schoonheid puren

“Tevreden met de plek waar ik sta
in de volheid van dit moment
opent mijn ziel
de blik voor dagelijkse geschenken
hier en nu”

  1. U bevindt zich hier:  
  2. Start
  3. Kortverhaal

In het oog van de storm

In het oog van de storm

In het oog van de storm

De afstand tussen woorden

De afstand tussen woorden

Hij zit aan tafel met zijn notitieboek open. De pagina is al dagen leeg.

De koffie naast hem is koud.

Hij schrijft een zin. Even houdt die stand, stort dan weer in. Met één toetsaanslag wist hij hem uit. Hij probeert opnieuw. De woorden komen, maar blijven niet. Er lijkt iets verschoven tussen gedachte en taal. Hij weet het niet langer te volgen.

Al jaren werkt hij aan hetzelfde boek — het boek waarvan hij overtuigd is dat het ergens in hem bestaat. Hij heeft zijn leven eromheen gebouwd, met bijna religieuze toewijding. Eerst verdwenen de vriendschappen. Daarna de relaties. Uitnodigingen bleven onbeantwoord. Avonden gingen voorbij terwijl hij zichzelf ervan overtuigde dat afzondering noodzakelijk was, dat het werk die offers vroeg.

De kamer is roerloos. Het licht van een vroege aprildag drukt tegen het raam, aarzelend en bleek.

Zijn telefoon trilt.

Hij negeert hem.

Het stopt. Begint opnieuw.

Hij draait het toestel om.

Vader.

De naam oogt vreemd op het scherm, bijna abstract. Hij kan zich niet herinneren wanneer ze voor het laatst hebben gesproken. Een jaar geleden misschien. Langer.

De stilte tussen hen had nooit ongewoon gevoeld. Zijn vader bewoog zich al decennialang in en uit zijn leven met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee andere mannen een café of een station binnenstappen. Hij verscheen wanneer iets misliep — werk, geld, een vrouw — maar knopen werden nooit doorgehakt. Beiden leken te hopen dat het touw vanzelf zou slijten.

De telefoon blijft overgaan.

Hij kijkt ernaar tot het scherm zwart wordt.

Heel even denkt hij dat dat voldoende zal zijn.

Maar de herinnering komt toch.

De laatste keer dat zijn vader langskwam, had de regen zijn jas verzwaard. Donkere plekken op de schouders maakten van de stof tegelijk een harnas en een last. Hij stond in de deuropening van de keuken alsof ze een gesprek hervatten dat slechts enkele minuten had stilgelegen. Hij sprak te luid, glimlachte te snel. Zijn blik gleed door de kamer zonder ergens te blijven rusten.

"Ik heb gewoon even wat hulp nodig."

Het geld deed er nauwelijks nog toe. Wat bleef hangen was de snelheid waarmee zijn vader behoefte in vanzelfsprekendheid veranderde, nabijheid in een onderhandeling.

"Ik betaal je terug."

De zin klonk ingestudeerd. Alsof de betekenis er al lang uit verdwenen was.

Hij herinnert zich hoe hij daarna aan de gootsteen stond en naar het donkere raam keek terwijl zijn vader naar sigaretten zocht in de zakken van zijn jas. Geen van beiden benoemde hoe lang het geleden was sinds het vorige bezoek. Geen van beiden stelde de vragen die tussen hen stonden als gesloten deuren.

De telefoon trilt opnieuw.

Deze keer zet hij het geluid uit.

Hij probeert terug te keren naar zijn notitieboek. Schrijft drie regels. Leest ze meteen opnieuw. De tekst voelt gewichtloos, samengesteld uit gewoonte eerder dan overtuiging. Hij weet niet langer of hij ergens naartoe schrijft of slechts bewegingen herhaalt die ooit op betekenis leken.

Buiten loeit een sirene. Het geluid sterft langzaam weg.

Als kind wachtte hij vaak op vader bij het raam van de woonkamer wanneer een bezoek was beloofd. Hij hield zijn jas lang aan, zelfs nadat het eten op was, zag hoe koplampen over het natte wegdek schoven.

Soms stuurde moeder hem naar boven.

Soms zei ze niets.

"Je hoeft niet altijd te blijven wachten," zei ze ooit.

Toch bleef hij wachten.

Er waren uitzonderingen.

Toen hij zestien was, reed zijn vader bijna driehonderd kilometer om hem naar een dansavond te brengen waar het meisje op wie hij verliefd was zou zijn. Hij herinnerde zich de ernst van vader. Twee keer stopten ze onderweg voor koffie. Vader stelde vragen over het meisje alsof liefdesverdriet een praktisch probleem was waarop je je kon voorbereiden.

Op de terugweg luisterden ze naar Mellon Collie and the Infinite Sadness van begin tot einde terwijl de snelweg zich door de nacht ontvouwde. Tot zijn verbazing knikte vader af en toe goedkeurend bij nummers die hij normaal zonder aarzelen als lawaai zou hebben afgedaan.

Het was een van de weinige momenten waarop hij, onder de zakelijke manier waarop zijn vader zich door het leven bewoog, iets anders vermoedde. Alsof er achter al dat rekenen en verdwijnen iemand schuilging die stiekem sentimenteler was dan hij wilde toegeven.

De loyaliteit die kinderen voelen tegenover hun ouders heeft hem altijd verbaasd. Hoe iets instinctiefs kan blijven voortbestaan lang nadat het vertrouwen is afgesleten.

Zelfs nu.

Zelfs na jaren van stilte.

Nog altijd reageerde iets in hem op het woord vader met aandacht eerder dan onverschilligheid.

Even later licht een voicemailbericht op.

Hij kijkt ernaar zonder op afspelen te drukken.

Boeken liggen in stapels op de vloer. Naast zijn bureau hangen notities in een handschrift dat hem vreemd voorkomt.

Jarenlang had hij zich beschermd tegen onderbrekingen, zichzelf wijsgemaakt dat afzondering de prijs was van het schrijverschap, dat elke afleiding een bedreiging vormde voor het boek dat hij ooit zou schrijven.

Nu vroeg hij zich af of hij zijn leven rond het schrijven had opgebouwd, of gewoon een respectabele manier had gevonden om te verdwijnen.

De gedachte bleef hangen.

Hij drukt op afspelen.

Eerst ruis.

Dan ademhaling.

Daarna de stem van zijn vader.

Ouder dan hij zich herinnerde.

Kleiner ook.

"Ik weet niet of dit nog altijd je nummer is."

Een korte stilte.

"Enfin. Je mag altijd terugbellen."

Meer niet.

Wanneer het bericht eindigt, voelt de stilte die volgt anders dan voordien.

Minder gecontroleerd.

Hij staat op en zet het raam open.

Koude lucht stroomt naar binnen, het verkeer zwelt aan. Iemand laat een hond uit, even klinkt gelach voordat het weer oplost in de avond.

Hij heeft behoefte aan meer ruimte.

Buiten is de regen veranderd in een zachte miezer. Hij loopt de straat op en laat de vochtige lucht op zich inwerken.

Een rij oranje lichten beweegt door de schemering.

Pas wanneer de eerste vrachtwagen voorbijrijdt, ziet hij wat er wordt vervoerd.

Massieve stalen delen van een brug.

Ze liggen op de opleggers als botten van iets dat nog niet bestaat.

Hij kijkt hoe ze voorbijtrekken, één na één.

Niets is nog verbonden met elkaar.

Toch zijn alle onderdelen onderweg naar dezelfde bestemming.

De vrachtwagens verdwijnen in de regen.

Hij blijft nog even staan.

"Moet je dat nu toch eens zien," mompelt hij.

Pas dan ziet hij meer dan losse onderdelen.

Terug binnen ligt het notitieboek nog steeds open op tafel.

Lang kijkt hij naar de lege pagina.

Dan schrijft hij een zin.

Niet om indruk te maken.

Niet om iets te bewijzen.

Gewoon omdat hij hem wil schrijven.

Deze keer laat hij hem staan.

Editio Online Schrijversacademie

De shortlist van de Editio Debutantenschrijfwedstrijd

A Quiet Claim

A Quiet Claim

He had withdrawn from the world after making a choice he
never defended, telling himself it was temporary, then
letting years pass unchecked. He drifted in a void without
beginning or end, unsure when retreat had become habit. Yet a
gnawing sense persisted: his story would not be denied.

Time pressed closer, subtle and unrelenting, and he felt the
quiet claim of age settling into his bones, behind his eyes. What
he had postponed now demanded recognition.

In that suspended moment he understood: neglecting oneʼs
story is no escape. The world waits for no one, and what he
called silence had always been a decision.

Quotidian Bagatelle

A Quiet Claim verschijnt in het augustus nummer van Quotidian Bagatelle.

After Asphalt

After Asphalt 

One day the trees will reclaim the street,
braid their roots, unfasten their demons,
split the asphalt open.

Parks will find their voices again in rain
when storms wander the sky
like stray hounds hunting sleep.

Plants will cup the dark with blind hands,
feel for a bloodstream underground
until sunlight gnaws the clouds to bone.

No more forests as backdrops,
no trees cast as extras.
Wood loosens its flesh,
inscribes its own rings.

We move through our questions in silence.
Portents travel under the skin.
Where the road gives out,
something waits to be given.

We too shed bark,
take root in one another,
grow into stubborn growth,

fighting the thirst
of being alive.

>> Rust & Moth

After Asphalt will be included in the print edition of the Summer 2026 issue when it is finalized.

Patroon

Patroon - Een kortverhaal van Steven Van Der Heyden

Weer zo’n dag als alle andere, waarin zijn gedachten cirkels draaiden, te stuurloos en zwak om er enige daadkracht uit te filteren. Zijn vijftigste verjaardag lag al even achter hem, maar het wat-als-gevoel dat hem die dag overmande, was blijven plakken. Het beroemde gedicht van Robert Frost indachtig vroeg hij zich af of The road not taken ook voor hem een verschil zou maken. Hoe begon je daar in godsnaam aan? Er moest altijd zoveel. Er waren verwachtingen, af te vinken lijstjes.

Jaren had hij nodig gehad om :zich los te maken van het verlengstuk dat hij voor zijn ouders geweest was. Een aaneenrijging van therapiesessies had hem behoed voor het moeras. Toch voelde hij zich soms een verrader van zijn eigen kindertijd, alsof hij nooit meer terug kon naar iets wat al lang verdwenen was. Het doek over het project dat gezin heette, was immers allang gevallen. Zijn leven zat vastgeroest, alsof hij een bij was gevangen in de foute korf: onrustig, tegen de randen botsend, nergens echt thuis.

Elke ochtend joeg hij de nacht uit zijn lakens en vond troost in de eerste kop koffie, steevast gezet met een Bialetti — the Italian way — en een cigarillo. Met elke uitgeblazen teug liet hij zijn taal nog even leeglopen zonder weerwoord. Het stille schemergebied gaf hem de illusie dat dit een dag kon worden waarin niets schuurde.

Sinds de pandemie stond hij voor de klas. Het lokaal was een toevluchtsoord geworden, al had hij de laatste tijd meer en meer het gevoel dat het hem slechts herbergde, zonder hem écht te kennen. Een toneelstuk waarin iedereen zijn rol speelde, en waarin het slechts een kwestie van tijd leek voordat zijn naam van de affiche zou verdwijnen.

Die ochtend liep de les stroef. Hij worstelde met zinnen die zich niet lieten plooien, alsof de taal zich verzette tegen zijn stem. Terwijl hij door de klas liep, stak een leerling zijn hand op.

‘Meneer,’ vroeg de jongen, ‘denkt u dat één keuze iemands leven echt kan veranderen?’

Hij bleef stokstijf staan. De jongen had zijn hand alweer laten zakken, maar bleef hem aankijken, alsof hij het antwoord nodig had om verder te kunnen. In die paar seconden voelde hij hoe de klas hem voor het eerst die dag werkelijk zag. Niet als docent, maar als iemand die geacht werd iets te weten wat hij zelf nooit had uitgezocht. De stilte die volgde leek zwaarder dan elk antwoord dat hij kon geven. Uiteindelijk zei hij iets banaals over wegen die je kunt inslaan, maar de woorden klonken hol, zelfs in zijn eigen oren. De jongen knikte beleefd, niet overtuigd. Dat knikken bleef hem bij.

De rest van de dag keerde de vraag terug als een refrein. Op de gang, in de leraarskamer, zelfs in de supermarkt, waar hij gedachteloos brood en melk pakte. Alsof de woorden hem achterna liepen. 

’s Avonds zat hij weer thuis, cigarillo in de hand. De rook trok kringelend op, vluchtig en vormloos, net als zijn dagen. Voor het eerst in lange tijd voelde hij niet alleen de zwaarte van het patroon, maar ook het besef dat er misschien een barst in zat. 

Hij dacht aan de vraag van de leerling. Misschien was het antwoord ja. En misschien was het al begonnen, daar, tussen twee lessen in.

Steven Van Der Heyden

>> De schaal van Digther

Van Steven Van Der Heyden weten we dat hij als dichter heel regelmatig zijn horizon probeert te verleggen en de bodem van zijn dagen te halen. Dat doet hij sinds enige tijd ook via het schrijven van kortverhalen. 

  1. Half-Drawn
  2. Brussel-Zuid

Pagina 1 van 2

  • 1
  • 2

© 2019-2022 Steven Van Der Heyden. Alle rechten voorbehouden.