Patroon - Een kortverhaal van Steven Van Der Heyden
Weer zo’n dag als alle andere, waarin zijn gedachten cirkels draaiden, te stuurloos en zwak om er enige daadkracht uit te filteren. Zijn vijftigste verjaardag lag al even achter hem, maar het wat-als-gevoel dat hem die dag overmande, was blijven plakken. Het beroemde gedicht van Robert Frost indachtig vroeg hij zich af of The road not taken ook voor hem een verschil zou maken. Hoe begon je daar in godsnaam aan? Er moest altijd zoveel. Er waren verwachtingen, af te vinken lijstjes.
Jaren had hij nodig gehad om :zich los te maken van het verlengstuk dat hij voor zijn ouders geweest was. Een aaneenrijging van therapiesessies had hem behoed voor het moeras. Toch voelde hij zich soms een verrader van zijn eigen kindertijd, alsof hij nooit meer terug kon naar iets wat al lang verdwenen was. Het doek over het project dat gezin heette, was immers allang gevallen. Zijn leven zat vastgeroest, alsof hij een bij was gevangen in de foute korf: onrustig, tegen de randen botsend, nergens echt thuis.
Elke ochtend joeg hij de nacht uit zijn lakens en vond troost in de eerste kop koffie, steevast gezet met een Bialetti — the Italian way — en een cigarillo. Met elke uitgeblazen teug liet hij zijn taal nog even leeglopen zonder weerwoord. Het stille schemergebied gaf hem de illusie dat dit een dag kon worden waarin niets schuurde.
Sinds de pandemie stond hij voor de klas. Het lokaal was een toevluchtsoord geworden, al had hij de laatste tijd meer en meer het gevoel dat het hem slechts herbergde, zonder hem écht te kennen. Een toneelstuk waarin iedereen zijn rol speelde, en waarin het slechts een kwestie van tijd leek voordat zijn naam van de affiche zou verdwijnen.
Die ochtend liep de les stroef. Hij worstelde met zinnen die zich niet lieten plooien, alsof de taal zich verzette tegen zijn stem. Terwijl hij door de klas liep, stak een leerling zijn hand op.
‘Meneer,’ vroeg de jongen, ‘denkt u dat één keuze iemands leven echt kan veranderen?’
Hij bleef stokstijf staan. De jongen had zijn hand alweer laten zakken, maar bleef hem aankijken, alsof hij het antwoord nodig had om verder te kunnen. In die paar seconden voelde hij hoe de klas hem voor het eerst die dag werkelijk zag. Niet als docent, maar als iemand die geacht werd iets te weten wat hij zelf nooit had uitgezocht. De stilte die volgde leek zwaarder dan elk antwoord dat hij kon geven. Uiteindelijk zei hij iets banaals over wegen die je kunt inslaan, maar de woorden klonken hol, zelfs in zijn eigen oren. De jongen knikte beleefd, niet overtuigd. Dat knikken bleef hem bij.
De rest van de dag keerde de vraag terug als een refrein. Op de gang, in de leraarskamer, zelfs in de supermarkt, waar hij gedachteloos brood en melk pakte. Alsof de woorden hem achterna liepen.
’s Avonds zat hij weer thuis, cigarillo in de hand. De rook trok kringelend op, vluchtig en vormloos, net als zijn dagen. Voor het eerst in lange tijd voelde hij niet alleen de zwaarte van het patroon, maar ook het besef dat er misschien een barst in zat.
Hij dacht aan de vraag van de leerling. Misschien was het antwoord ja. En misschien was het al begonnen, daar, tussen twee lessen in.
Steven Van Der Heyden
Van Steven Van Der Heyden weten we dat hij als dichter heel regelmatig zijn horizon probeert te verleggen en de bodem van zijn dagen te halen. Dat doet hij sinds enige tijd ook via het schrijven van kortverhalen.
Half-Drawn - Tadpole Press 100-Word Writing Contest
'My micro fiction story 'Half-Drawn' made the longlist of the Tadpole Press 100-Word Writing Contest! # dreams matter # counting my blessings!'

Half-Drawn
Suddenly, she was gone.
Shutters hung half-drawn; the light stayed off at half past six.
She must have slipped away without a sound, leaving only a measured emptiness.
We, early birds draped in dressing gowns like borrowed plumage, felt wingless — strangers to the mirrored rhythm of each other’s morning.
Alone, I found myself in the first blackness of coffee.
My shape lingered in the fleece blanket, reluctant to leave.
Memories slid through the room, tentative and insistent, like morning light, hesitant and lost, unsure where it now belongs.
Steven Van Der Heyden

Brussel-Zuid - Weekwinnaar Het Korte Verhaal
© Steven Van Der Heyden
Telkens wanneer er wat overstaptijd was, kon hij het niet laten de deuren van het station achter zich te sluiten. Binnen was er de geur van koffie en beton, het ritme van treinaankondigingen, reizigers die haastig door de gangen wolkten. Maar buiten, daar wachtte het andere Brussel. Daar stonden zij die nergens heen leken te gaan, of die de trein al lang hadden gemist. Hij bood ze een sigaret aan, een lach, een luisterend oor. Daar, in de tocht rond de brede ingang, voelde hij zich thuis in de onderbuik van de stad.
Het was een mengsel van nieuwsgierigheid, spanning en overgave maar ook van een diepmenselijkheid dat hem telkens opnieuw naar buiten dreef. Meer nog: hij zocht er een vlucht uit zichzelf, waarheden in al dat vreemde. Tussen die dwaalgasten, dromers en verstekelingen probeerde hij spiegels te vinden. Verhalen die hem lieten voelen dat hij niet de enige was die richting miste.
Zo was er Desiré, die op zijn veertiende kindsoldaat was geweest onder Mobutu. Zijn blik veranderde naar gelang de nood: nu een cobra, dan een krokodil, dan weer een arend, en wanneer het moest een leeuw. Hij sprak even moeiteloos Frans als Nederlands en Engels, voor hem geen gebroken taal. Zijn woorden hakten als machetes door de lucht. Het was vooral de zekerheid in zijn ogen die raakte, alsof hij niet vertelde maar bezwoer.
Later ontmoette hij Yves, uit Dour. Een jongen die droomde van een carrière als rapper—zijn manier om wijsheid en overleven in woorden te gieten, gericht aan een wereld die zelden vriendelijk was. Hij freestylede een paar regels, schor maar messcherp, en lachte schuchter na afloop. Bij het afscheid vroeg hij om wat muntstukken, genoeg om de trein terug naar huis te betalen. Hij was er bijna.
En er was ook Rosa, een vrouw met een plastic zak vol kleine bezittingen, die zich bij elke zin excuseerde voor haar Frans. Ze vertelde over haar dochter in Charleroi, die haar niet meer wilde zien. Haar handen beefden, maar in haar ogen fonkelde een hardnekkig licht. ‘Ze zal mij ooit terugvinden,’ zei ze, alsof het een gebed was.
Soms waren de ontmoetingen vluchtig: een blik, een halve zin of een schim die weer verdween in de stad. Vaker bleven ze hangen, wekenlang, alsof de stemmen van de anderen meer gewicht hadden dan de zijne.
Wanneer hij weer de roltrappen nam naar de perrons, voelde hij de paradox knagen: hij was reiziger, maar nergens onderweg. De mensen die hij ontmoette waren vastgeklonken aan het asfalt, maar hun verhalen droegen vleugels.
>> Lees ook op https://kortverhaal.info/?p=7891